strak
strak (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord; vergrotende trap: strakker, overtreffende trap: strakst)

1. gespannen: iem. strak houden hem weinig vrijheid toestaan

2. star, onbeweeglijk: strak staan van de pillen zwaar onder invloed zijn van

3.(van een gezicht) geen gevoelens uitdrukkend

4. (informeel) uitstekend: dat is een strak plan!

x